Resultatenvoorbeeld voor je scriptie aan het zoeken?

Ben jij op zoek naar een voorbeeld voor jouw resultaten van je scriptie? Daar willen we jou natuurlijk bij helpen! Hieronder is een voorbeeld van een resultatenhoofdstuk. Deze gaat over ‘het televisieprogramma Road2Reality’. Dit voorbeeld dient als een leidraad voor jouw eigen resultatenhoofdstuk in je scriptie. Let hierbij vooral op de verschillende kopjes die te onderscheiden zijn om de noodzakelijke en (hier ook veel contextueel) belangrijke punten aan te kaarten in je resultatenhoofdstuk.

Lees hier waar we jou bij kunnen helpen of hoe we je begeleiden met de resultaten van je scriptie. Aan de hand van persoonlijke begeleiding helpt Afstudeerbegeleider je met het opstellen van de resultaten in je scriptie!

Meer weten? Check dan onze:

Elk resultatenhoofdstuk is natuurlijk anders, maar het komt neer op het onderstaande voorbeeld. Let bij dit voorbeeld vooral op de concrete aanpak en structuur die is gebruikt. Kijk ook naar de opbouw van de resultaten en vraag jezelf af waarom het wel of niet pakt. Let erop dat het resultaten hoofdstuk van je scriptie enkel en alleen de resultaten weergeeft, kan dus veel herhaling zijn en daarmee saai. Dat is gewoon zo dus ga niet proberen het “leuk” te maken om te lezen!

Meer weten? Check dan onze:

Betrouwbaarheid

Voor elk van de variabelen in het onderzoek is een schaal gecreëerd. Deze zijn door middel van een Cronbach test gecontroleerd op betrouwbaarheid. Voor alle variabelen in het onderzoek blijken de items samen een schaal te mogen vormen, α kennis = 0.81, α attitude = 0.80, α norm = 0.71, α controle = 0.81, α intentie = 0.80. De items zijn daarom samengevoegd tot een index voor de desbetreffende variabele. De Cronbach test is een test om te bepalen of verschillende items (vragen) samengevoegd mogen worden tot een schaal als bijvoorbeeld de schaal kennis of attitude. De minimale waarde van de test is 0.7. De schalen in dit onderzoek voldoen allemaal aan dit criterium.

Kennis

Ontwikkelingswerk

Om na te gaan of mensen na het bekijken van Road2Reality meer kennis hebben over ontwikkelingswerk dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 1a) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd om de kennisscores van de respondenten voor ze Road2Reality hebben bekeken (Time1) en nadat ze Road2Reality hebben bekeken (Time2) met elkaar te vergelijken. Er is geen significant verschil in kennisscores tussen Time1 (M = 3.61, SD = 1.17) en Time2 (M = 3.74, SD = 1.16), t < 1, ns. Hypothese 1a wordt verworpen.

Millenniumdoelen

De respondenten geven tevens aan hoe bekend ze waren met de millenniumdoelen en hoeveel van de millenniumdoelen ze kennen. Om na te gaan of mensen na het bekijken van Road2Reality meer kennis hebben van de millenniumdoelen dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 1b) zijn er op de score van de bekendheid met de millenniumdoelen en het gemiddeld aantal bekende millenniumdoelen onafhankelijke t-toetsen uitgevoerd. Er is een significant verschil in de bekendheid met de millenniumdoelen tussen Time1 en Time2, t(112) = 2.10, p < .05. Respondenten zijn na het bekijken van Road2Reality bekender met de millenniumdoelen (Time2: M = 4.16, SD = 2.16) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (Time1: M = 3.31, SD = 2.07), zie figuur 2. Ook is er een marginaal verschil tussen het aantal millenniumdoelen dat bij de respondenten bekend is tussen Time1 en Time2, t(124) = 1.77, p < .10. Dit impliceert dat respondenten na het bekijken van Road2Reality met meer millenniumdoelen bekend zijn (M = 4.30, SD = 3.25) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 3.25, SD = 3.09), zie figuur 3. Hypothese 1b wordt bevestigd. Door middel van een t-toets kan bepaald worden of er een significant verschil bestaat tussen twee scores. In dit geval gaat het om de (gemiddelde) score op de verschillende kennis items, de bekendheid met de millenniumdoelen en aantal bekende millenniumdoelen. De score van de respondenten voordat ze Road2Reality hebben bekeken is vergeleken met de score nadat ze Road2Reality hadden bekeken. De t-toets geeft aan of er een verschil is tussen deze scores en of deze significant zijn. Een significant verschil wil zeggen dat het gevonden verschil ook daadwerkelijk een verschil is tussen de twee scores. Dit wordt berekend door de t-toets en hangt onder anderen af van het verschil tussen de scores, het aantal respondenten. Mocht er bijvoorbeeld een relatief klein verschil bestaan, als bijvoorbeeld bij de kennisscore, dan is het gevonden verschil te klein om van een significant verschil te spreken en wordt de hypothese verworpen. In het geval van de bekendheid met de millenniumdoelen en het aantal bekende millenniumdoelen is er wel een significant verschil gevonden. Dit wil dus zeggen dat het gevonden verschil dusdanig is dat er gesproken kan worden van een daadwerkelijk verschil tussen de gevonden scores voor en na het bekijken van Road2Reality. De hypothesen over de millenniumdoelen worden daarom bevestigd.

Betrokkenheid

Om na te gaan of respondenten na het bekijken van Road2Reality meer betrokken zijn bij ontwikkelingswerk dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 2) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd. Achteraf blijkt echter dat er bij de tweede vragenlijst gebruik is gemaakt van een 5 punt Likertschaal en bij de voormeting van een 7 puntsschaal. Dit is opgelost door de scores in 3 categorieën in te delen. Er was net geen significant verschil in de betrokkenheid bij ontwikkelingswerk tussen Time1 en Time2, t(100) = 1.51, p = .13. Er blijkt echter wel een trend in de goede richting te zijn, zodanig dat de respondenten na het bekijken van Road2Reality een ietwat hogere betrokkenheid hebben bij ontwikkelingswerk (M = 2.51, SD = 0.70) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 2.29, SD = 0.83). Door het gebrek aan significantie wordt hypothese 2 echter toch verworpen. Voor betrokkenheid geldt hetzelfde als voor kennis. De score van betrokkenheid voor het bekijken van Road2Reality zijn vergeleken met de score van betrokkenheid na het bekijken door middel van een t-toets. Op basis van de uitkomsten van de t-toets blijkt het gevonden verschil tussen de scores niet dusdanig te zijn dat er gesproken kan worden van een significant verschil. De hypothese over betrokkenheid wordt daarom niet bevestigd en verworpen.

Attitude

Om na te gaan of respondenten na het bekijken van Road2Reality een positievere attitude hebben dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 3) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd. Er is geen significant verschil in scores tussen Time1 en Time2, t < 1, ns. Respondenten hebben na het bekijken van Road2Reality geen significant positievere attitude (M = 5.32, SD = 1.38) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 5.21, SD = 1.29). Hypothese 3 wordt verworpen. De scores van attitude voor het bekijken van Road2Reality zijn vergeleken met de scores van attitude na het bekijken door middel van een t-toets. Op basis van de uitkomsten van de t-toets blijkt het gevonden verschil tussen de scores niet dusdanig te zijn dat er gesproken kan worden van een significant verschil. De hypothese over attitude wordt daarom niet bevestigd en verworpen.

Waargenomen subjectieve norm

Om na te gaan of respondenten na het bekijken van Road2Reality een sterkere waargenomen subjectieve norm hebben ervaren met betrekking tot het doen of doneren aan ontwikkelingswerk dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 4) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd. Er is een marginaal significant verschil in scores tussen Time1 en Time2 t(115) = 1.77, p = .079. Respondenten ervaren na het bekijken van Road2Reality een (marginaal) sterkere waargenomen subjectieve norm (M = 3.90, SD = 1.47), dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 3.45, SD = 1.22), zie figuur 4. Hypothese 4 wordt dus bevestigd. De scores van waargenomen subjectieve norm voor het bekijken van Road-2Reality zijn vergeleken met de scores van waargenomen subjectieve norm na het bekijken door middel van een t-toets. Op basis van de uitkomsten van de t-toets blijkt het gevonden verschil tussen de scores dusdanig groot te zijn dat er gesproken kan worden van een significant verschil. De hypothese over waargenomen subjectieve norm wordt daarom bevestigd.

Waargenomen gedragscontrole

Om na te gaan of mensen na het bekijken van Road2Reality een hogere waargenomen gedragscontrole hebben over het doen of doneren aan ontwikkelingswerk dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 5) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd. Er was geen significant verschil in scores tussen Time1 en Time2, t < 1, ns. Respondenten hebben na het bekijken van Road2Reality geen significant hogere waargenomen gedragscontrole (M = 5.78, SD = 1.21) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 5.56, SD = 1.39). Hypothese 5 wordt verworpen. De scores van waargenomen gedragscontrole voor het bekijken van Road2Reality zijn vergeleken met de scores van waargenomen gedragscontrole na het bekijken door middel van een t-toets. Op basis van de uitkomsten van de t-toets blijkt het gevonden verschil tussen de scores niet dusdanig te zijn dat er gesproken kan worden van een significant verschil. De hypothese over waargenomen gedragscontrole wordt daarom niet bevestigd en verworpen.

Attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole

Volgens de TPB correleren de attitudes met betrekking tot doen of doneren aan ontwikkelingswerk, de waargenomen controle over gedrag met betrekking tot doen van of doneren aan ontwikkelingswerk en de waargenomen controle over gedrag met betrekking tot doen of doneren aan ontwikkelingswerk positief met elkaar (hypothese 6). Dit is getoetst door middel van Pearson product-moment correlatie coëfficiënt. Er is een middelmatige correlatie tussen attitude en waargenomen subjectieve norm (r = .37, n = 117, p < .001), waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole (r = .46, n = 114, p < .001) en een hoge correlatie tussen attitude en waargenomen gedragscontrole (r = .52, n = 114, p < .001). Uit de resultaten blijkt dat de attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole significant positief met elkaar correleren. Hypothese 6 wordt bevestigd. Met Pearson product-moment correlatie coëfficiënt is vastgesteld dat de scores op de attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole onderling met elkaar correleren. Dit is één van de assumpties van het TPB model4.8 Intentie. Om na te gaan of respondenten na het bekijken van Road2Reality een hogere intentie hebben dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (hypothese 7a) is er een onafhankelijke t-toets uitgevoerd. Er is geen significant verschil in scores op Time1 en Time2, t < 1, ns. Respondenten hebben na het bekijken van Road2Reality geen significant hogere intentie (M = 4.73, SD = 1.52) dan voor ze Road2Reality hebben bekeken (M = 4.46, SD = 1.49). Hypothese 7a wordt verworpen. De scores van intentie voor het bekijken van Road2Reality zijn vergeleken met de scores van intentie na het bekijken door middel van een t-toets. Op basis van de uitkomsten van de t-toets blijkt het gevonden verschil tussen de scores niet dusdanig te zijn dat er gesproken kan worden van een significant verschil. De hypothese over intentie wordt daarom niet bevestigd en verworpen. De TPB stelt dat attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole van mensen met betrekking tot doen van of doneren aan ontwikkelingswerk afzonderlijk van elkaar invloed hebben op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of doneren (hypothese 7b, 7c, 7d). Om dit vast te stellen is er voor elk van de onafhankelijke variabelen een lineaire regressie analyse uitgevoerd.

Attitude en intentie

Verwacht wordt dat de attitude van mensen met betrekking tot doen van of doneren aan ontwikkelingswerk een positieve invloed zal hebben op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of doneren (hypothese 7b). Op zowel Time1 (Beta = .72, t = 8.67, p < .01) als Time2 (Beta = .70, t = 6.18 p < .01) heeft attitude geheel conform de verwachting een significante invloed op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of te doneren. Op Time1 wordt 52% van de variantie in intentie verklaard door attitude (R2= .52) en op Time2 wordt 48% van de variantie in intentie verklaard door attitude (R2 = .48). Hypothese 7b wordt dus bevestigd. Door middel van een lineaire regressie analyse kan worden vastgesteld of een variabele, zoals hier attitude, een verandering teweeg brengt bij een ander variabele, zoals hier intentie. Hiervoor moet voldaan worden aan enkele assumpties die als voorwaarde zijn gesteld om een lineaire regressie analyse uit te mogen voeren. Dit is bij al de regressie analyses in dit onderzoek het geval. Bij regressie analyse wordt gekeken in hoeverre de variantie van de scores van de afhankelijke variabele, in dit geval de intentie, verklaard kan worden door de variantie van de onafhankelijke variabele. De variantie is een statistische maat en kan het best omschreven worden als de verschilscore met het gemiddelde van variabelen. Door deze scores met elkaar te vergelijken kan worden bepaald of de onafhankelijke variabele (significant) invloed heeft op de afhankelijke variabele. In het geval van attitude (onafhankelijke) en intentie (afhankelijke) wordt voor Time1 52% en voor time2 48% van de variantie verklaard. Volgens de regressie analyse wordt er een significant deel van de variantie in de afhankelijke variabele verklaard door de variantie in de onafhankelijke variabele. Daarom kan worden gezegd dat attitude een significante invloed heeft op intentie en wordt de hypothese bevestigd.

Waargenomen subjectieve norm en intentie

Verwacht wordt dat de waargenomen subjectieve norm van mensen met betrekking tot doen of doneren aan ontwikkelingswerk een positieve invloed zal hebben op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of doneren (hypothese 7c). Voor zowel Time1 (Beta = .50, t = 4.87. p < .01) als Time2 (Beta = .62, t = 4.99, p < .01) heeft waargenomen subjectieve norm geheel conform de verwachting een significante invloed op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of te doneren. Op Time1 wordt 25% van de variantie in intentie verklaard door waargenomen subjectieve norm (R2 = .25) en op Time2 wordt 36% van de variantie in intentie verklaard door waargenomen subjectieve norm (R2 = .36). Hypothese 7c wordt bevestigd. In het geval van waargenomen subjectieve norm (onafhankelijke) en intentie (afhankelijke) wordt voor Time1 25% en voor Time2 36% van de variantie verklaard. Volgens de regressie analyse wordt er een significant deel van de variantie in de afhankelijke variabele verklaard door de variantie in de onafhankelijke variabele. Daarom kan worden gezegd dat waargenomen subjectieve norm een significante invloed heeft op intentie en wordt de hypothese bevestigd.

Waargenomen gedragscontrole en intentie

Verwacht wordt dat de waargenomen controle over gedrag van mensen met betrekking tot doen of doneren aan ontwikkelingswerk een positieve invloed zal hebben op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of doneren. Op zowel Time1 (Beta = .60, t = 6.17 p < .01) als Time2 (Beta = .65, t = 5.49, p < .01) heeft waargenomen gedragscontrole, geheel conform de verwachting, een significante invloed op de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of te doneren. Op Time1 wordt 36% van de variantie in intentie verklaard door waargenomen gedragscontrole (R2 = .36). Op Time2 wordt 42% van de variantie in intentie verklaard door waargenomen gedragscontrole (R2 = .42). Hypothese 7d wordt dus bevestigd. In het geval van waargenomen gedragscontrole (onafhankelijke) en intentie (afhankelijke) wordt voor Time1 36% en voor Time2 42% van de variantie verklaard. Volgens de regressieanalyse wordt er een significant deel van de variantie in de afhankelijke variabele verklaard door de variantie in de onafhankelijke variabele. Daarom kan worden gezegd dat waargenomen gedragscontrole een significante invloed heeft op intentie en wordt de hypothese bevestigd. 4.8.4 Attitude, waargenomen subjectieve norm, waargenomen gedragscontrole en intentie Volgens de TPB voorspellen deze 3 determinanten samen de gedragsintentie. Om dit te onderzoeken is er een multipele regressie uitgevoerd met als onafhankelijke variabelen attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole en als afhankelijke variabele de gedragsintentie. Er is gekeken naar de “adjusted” R2 om te corrigeren voor een overschatting van de ware waarde in de populatie die een relatief kleine sample met zich meebrengt. Uit de regressieanalyse komt naar voren dat op Time1 attitude (Beta = .539, t = 2.65, p < .01) en waargenomen subjectieve norm (Beta = .256, t = 2.87 p < .005) een significante positieve bijdrage leveren in het verklaren van de afhankelijke variabele intentie. Waargenomen gedragscontrole (Beta = .142, t = 1.43, ns.) blijkt geen significante bijdrage te leveren. De onafhankelijke variabelen attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole verklaren gezamenlijk 59% van de variantie van de afhankelijke variabele intentie (R2 = .59). Op Time2 blijken attitude (Beta = .419, t = 4.10, p < .01), waargenomen subjectieve norm (Beta = .274, t = 2.69, p = .010) en waargenomen gedragscontrole (Beta = .373, t = 3.78, p < .001) alle op zichzelf een significante positieve bijdrage te leveren in het verklaren van de afhankelijke variabele intentie. Gezamenlijk verklaren de onafhankelijke variabelen attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole 68 procent van de variantie van de afhankelijke variabele intentie (R2 = .68). In de hiervoor besproken hypothesen 7b, c en d zijn de onafhankelijke variabelen attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole los van elkaar besproken. Hier is gekeken in hoeverre de drie onafhankelijke variabelen samen invloed hebben op de intentie. In het geval van meerdere onafhankelijke variabelen wordt gesproken van een multipele regressie analyse. Uit deze analyse blijkt dat de drie onafhankelijke variabelen bij Time1 59% en bij Time2 68% verklaren van de afhankelijke variabele intentie. De analyse laat ook zien in hoeveel de verschillende onafhankelijke variabelen op zich de afhankelijke variabele verklaren. Voor Time1 heeft attitude het grootste aandeel in het verklaren van intentie gevolgd door waargenomen subjectieve norm en heeft waargenomen gedragscontrole geen invloed. Voor Time2 heeft attitude wederom het grootste aandeel in het voorspellen van de intentie gevolgd door waargenomen subjectieve norm en gedragscontrole. Hieruit blijkt dat het model wat gekozen is om de intentie te voorspellen een goede keuze.

Overige resultaten

Naast de hypothesen die zijn geformuleerd aangaande dit onderzoek zijn nog er nog enkele andere variabelen meegenomen. Respondenten die het televisieprogramma hebben bekeken evalueerden Road2Reality als leuk (M = 5.02, SD = 1.33), interessant (M = 5.08, SD = 1.248), aansprekend (M = 5.02, SD = 1.33) en informatief (M = 4.83, SD = 1.517). Geconcludeerd mag worden dat de respondenten over het algemeen positief evalueerden. Respondenten vinden na het bekijken van Road2Realty dat ontwikkelingswerk meer nut heeft (Time2: M = 5.93, SD = 1.12) dan daarvoor (Time1: M = 5.57, SD = 1.25), t(116) = 1.55, p = .13. Het betreft hier een marginaal verschil. Respondenten zijn niet van plan significant meer te gaan doneren aan ontwikkelingswerk na het bekijken van Road2Reality (Time2: M = 3.77, SD = 1.77) dan daarvoor (Time1: M = 3.47, SD = 1.64), t < 1, ns. Ook is betrokkenheid (block2) toegevoegd aan het model die de intentie om aan ontwikkelingswerk te doen of te doneren verklaard. Voor het bekijken van Road2Reality blijkt dit geen significante toevoeging (R2 change = 0, p change = ns.). Voor na het bekijken van Road2Reality blijkt dit wel een significante toevoeging (R2 change = .06, p change < .01). Uit de regressieanalyse komt naar voren dat voor Time2 attitude (Beta = .290, t = 2.90, p < 01), waargenomen subjectieve norm (Beta = .232, t = 2.51, p = .017), waargenomen gedragscontrole (Beta = .350, t = 3.93, p < .01) en betrokkenheid (Beta = .300, t = 3.21, p < .01) alle op zichzelf een significante positieve bijdrage leveren in het verklaren van de afhankelijke variabele intentie. Gezamenlijk verklaren betrokkenheid, attitude, waargenomen subjectieve norm en waargenomen gedragscontrole 76% van de afhankelijke variabele intentie (R2 = .76).

Over het opstellen van je resultatenhoofdstuk is een hoop te vertellen, en er zijn een aantal punten waar je op dient te letten. Kijk daarom na het voorbeeld hier voor een uitgebreide uitleg te krijgen over hoe de resultaten volgens de richtlijnen in elkaar steken.

Meer weten? Check dan onze:

Kijk of jij met je huidige kennis en begrip van je resultaten in staat bent om de resultaten te verwerken in je scriptie. Een voorbeeld geeft vooral duidelijkheid over vorm en structuur, dingen die erg belangrijk zijn in het maken van een onderzoek aan een instituut. Hier zijn namelijk een aantal standaard verplichte richtlijnen voor (naast de individuele en persoonlijke preferenties). Ben jij er nog niet toe in staat om deze te vormen, kun je altijd met ons contact opnemen.

Lees hier waar we jou bij kunnen helpen of hoe we je begeleiden met de resultaten van je scriptie. Aan de hand van persoonlijke begeleiding helpt Afstudeerbegeleider je met het opstellen van de resultaten in je scriptie!

Meer weten? Check dan onze:

Onze methode in één minuut

Sanne (student) over onze scriptiebegeleiding

De weg naar afstuderen weer vinden

De weg kwijt in je scriptie? Had jouw begeleider of opdrachtgever net zo goed Chinees kunnen praten? Geen nood, wij helpen je om de controle terug te krijgen!

Nodige bevestiging in je keuzes

Het schrijven van je scriptie betekent veel keuzes en fouten maken. Wij kijken met je mee en bespreken wat je hebt gedaan zodat jij je er weer zeker over voelt

Deadline toch halen (realistische planning)

Een naderende scriptiedeadline zorgt voor stress. We stellen samen een realistische planning op zodat jij die deadline gaat halen!

Vertel ons wie je bent en we gaan samen met je aan de slag!

Nog één stap en je hebt je gratis kennismaking geregeld 🙂

Waarom Afstudeerbegeleider?

zijn je voorgegaan
0 studenten
Wat zeggen andere studenten over onze begeleiding